Impasse

Ik ben vandaag onrustig, een onbehaaglijk gevoel bekruipt mij: iets vertelt me dat ik op het punt sta, de maatschappelijke sneltrein te verlaten. Mijn hoofd is vol, ik kan niet meer.

Ik hoor het piepen van de remmen en als de trein tot stilstand is gekomen, word ik verstomd wakker uit mijn droom-waakstand. Ik kijk om mij heen, de coupé is leeg . Vertwijfeld sta ik op en begeef mij naar de uitgang. Ik zet mijn voet op de eerste trede van het trapje van het treintoestel en kijk om mij heen. Op het station waar ik uitstap, is niemand. Het is hier verlaten.
Wat moet ik hier?
Ik dool wat rond om te kijken of er iemand is, of er iets open is misschien. Niets.
Een onveilig gevoel bekruipt mij als ik de trein achter mij hoor wegrijden. Hoe kom ik hier weg?
Ik voel aan mijn lijf dat het wil zitten, liggen liever. Zelf wil ik dat niet, ik wil verder, er dwalen nog zoveel ideeën in mijn geest, die wachten op vervulling.

Ik besluit toch maar gehoor te geven aan de schreeuw van mijn lijf. Op het station staat één bankje. Ik loop erheen, vouw mijn jas tot een kussen en leg mij te ruste op de harde plankjes. Het voelt vreemd hier te liggen, ongemakkelijk. Nooit eerder voelde ik de vrijheid om een heel bankje in beslag te nemen, want ik ben toch nog jong? In deze kille omgeving, waar niemand is maar waar ieder moment een vreemde kan binnenlopen, voel ik mij onrustig, maar het lukt me even niet om op te staan en verder te gaan. Mijn geest wil los van mijn lichaam en ik raak in een diepe slaap.

Ik droom van mijn verleden, stap terug in de tijd van energie, onuitputtelijke energie. Het toneel van relaties met vrienden, familie en bekenden, speelt zich voor mij af, tegen een achtergrond van vervormde realiteiten, die als cocktails in elkaar overvloeien. Aan het regie van de aktes sta ikzelf en ik speel met mijn verlangens, laat ze spontaan uitkomen. Ik ben veelal naakt en de mensen die ik naakt om mij heen wil zien, zijn dit ook.

Mijn nek… ik word mij bewust van een spanning in mijn nek, vanuit de rand van mijn schedel. Het is een spanning die ik ken, maar met een hevigheid die me zorgen baart. De heerlijke droom van zojuist vervaagt naar de achtergrond, terwijl mijn bewustzijn zich richt op het geluid van een naderende trein. Behalve de hoofdpijn voel ik mij veel beter dan voor ik in slaap viel. Ik kan weer verder, voel ik en ik pak mijn jas op, terwijl de trein het perron aandoet. Het treinstel wordt voortgetrokken door een antieke, zwarte locomotief, die zware rookwolken produceert. Er klinken hoge piepen van metaal op metaal, als de wagons een wissel passeren. Het tjoekende geluid van de locomotief klinkt als een hartslag in mijn oren. Het irriteert me, dus ik hou mijn handen over mijn oren, maar het geluid blijft als een echo in mijn hoofd door fluisteren.

Ik kijk naar de wagons, die steeds langzamer aan me voorbij rollen, tot de trein stil staat. De trein is afgeladen vol en als ik instap blijkt deze te zijn afgehuurd door een gezelschap waartoe ik ook behoor. Ik ben uitgenodigd op dit feest. Ik kijk om mij heen, maar er is niemand bij met wie ik wil praten. Ik ken de verhalen al, ik weet welke vragen er komen, ik voel de onderhuidse vibraties meer dan ooit tevoren. He, maar dat is interessant, ik voel daadwerkelijk meer vibraties in mijn lijf. Het is net of ik meer waarheid toelaat en de effecten ervan direct ervaar.
Ondertussen heeft de trein weer vaart gemaakt en het geluid van de trein ruist door het geluid van tientallen stemmen, allemaal op zoek naar aansluiting bij elkaar en ik… het liefst wil ik me afzonderen. Uit mijn mond komen onverstaanbare woorden en de antwoorden die ik terug ontvang, zijn al even nietszeggend. Een golf van ongewenste aanwezigheid doet mijn keel verstoppen.
Om tot mezelf te komen, ga ik maar even op het toilet zitten. Ik wil weg uit deze trein, hij gaat me veel te snel. De maatschappelijke druk lijkt zich van onder mijn hersenpan een weg naar buiten te willen banen, maar dat kan niet, want de uitgang zit verstopt. Ik voel druk op mijn oren, kloppende slapen, pijn op mijn voorhoofd. We naderen een nieuw station en hoewel de hele trein van plan is dit station te passeren, besluit ik op de stopknop te drukken en eruit te gaan, ongeacht wat men ervan vindt, ongeacht waar ik terecht kom.

De deuren draaien open en zonder om te kijken loop ik weg van de trein, alweer een leeg perron op. De druk op mijn voorhoofd neemt af zodra ik de trein hoor wegrijden. Ik kan weer ademhalen. Om mij heen zie ik landerijen, in de verte grazende koeien, waarvan ik door de mist slechts de schimmen zie. Opmerkelijk genoeg voel ik mij in deze ogenschijnlijk lege ruimte comfortabel en vol aanwezig. Ik sluit mijn ogen. Terwijl ik hier zo sta voel ik een intense verbinding met de Aarde. Ik voel dat ik alles kwijt raak wat ik in de uiterlijke wereld vertoon: mijn lichaam en de beperkingen, mijn gezicht, de ruis in mijn oren, mijn rollen, mijn verleden en mijn toekomst, ja, zelfs het hier en nu laat me los. Een intense stroom komt op gang in dat wat ik werkelijk ben. Ik ben thuis. Ik ben. Niets…

Ik weet dat er straks weer een trein aankomt en ik weet ook dat ik daar weer op moet, maar ik besluit dat deze trein langzamer rijdt. Voor het eerst besef ik dat ik dat zelf bepaal. Ik ben het, die de trein in beweging zet en ík laat hem stoppen wanneer het tijd is. Op dat moment stuift er een trein binnen, een internationale hoge snelheidslijn. Hoewel ik mij realiseer dat deze heel snel zal aankomen in het dorp waar ons huis staat, weet ik ook dat deze trein mij nooit naar mijn bestemming kan brengen. Ik lach vriendelijk naar de bekende gezichten in de volle coupés , maar blijf vastberaden op het perron staan. Sommige mensen kijken me vragend aan, maar ik zie hen niet meer, ik ben hen niet meer, ik ben hen ook, ik zie hen ook.

Slechts enkele minuten nadat het ultrasnelle voertuig weer vertrokken is, laat ik mijn trein voorrijden. Het bestaat uit een kleine, elektrische locomotief, met één wagon. Ik stap in en schuif de deur van de coupé open. Het is een grote coupé en op een bankje aan een tafel zit een man. Ik ken deze man. Op de achtergrond klinkt muziek, ijle violen galmen door de ruimte: De Vier Jaargetijden van Vivaldi. De klank is groter dan de ruimte, net alsof ik in een oude muziekarena zit. Onverwacht gezang klinkt plots in dit muziekstuk. Het is de stem van een bekende alt. Het is onmiskenbaar de stem van mijn moeder. Haar laatste concert enkele weken geleden, betekende voor mij een afronding van een tijd die nooit zal eindigen. Het was een blik in het verleden van mijn stamgezin, waar de klassieke muziek, het zangtalent van mijn moeder, als een rode draad doorheen weeft. Deze coupé, in mijn trein, met mijn muziek, ben ik helemaal wie ik ben.

De man (wie is dit toch?) heeft een stapel kaarten voor zich liggen. Hij schudt ze, legt de stapel op tafel, haalt er een goede helft van af en legt dit deel links van het andere stapeltje. De bovenste kaart van het rechter stapeltje draait hij om en schuift deze naar mijn kant van de tafel.

Ik lees de kaart met zachte stem:
“Het enige in je leven dat de dood heeft te vrezen, is je ego”

Ik kijk op naar de man, die knikkend en glimlachend doorzichtig begint te worden. Precies op het moment dat hij niet meer zichtbaar is, realiseer ik me: die man… dat was ik.
De intensiteit is alomvattend, ik sluit mijn ogen en tranen biggelen over mijn wangen.

Als ik mijn ogen open is de coupé weg, de bank is veranderd in de bekende rode stoel waarop ik in meditatie was gegaan. In mijn hand ligt een rookkwarts. Ik ben weer thuis bij mijn gezin. Ik voel de gehechtheid aan mijn lieve Anouk, mijn lieve Mick, mijn lieve Luc, mijn lieve Joey. Ja, ik verander, mijn hemel ik verander, maar die liefde verandert niet en kent op de diepste lagen geen grenzen. Als in elkaar schuivende wereldbollen zie ik hoe mijn stamgezin en het stamgezin van Anouk, voortbloeien in een nieuw stamgezin en weer één en dan weer één en weer en weer…

De ruis in mijn oren is er nog, maar voelt anders: met een reden, een doel voor dit moment. Ik loop naar de spiegel en zie mijzelf, maar ik ben niet meer de oude, niet meer dat alléén. Het is net of de ogen waarin ik kijk niet van mij zijn, of juist meer van mij. Eén ding is mij duidelijk geworden: de impasse waarin ik verkeer is precies zoals hij hoort te zijn.

Het is stil in huis. Ik hou van de stilte, het geeft me een gevoel van vrijheid. In de stilte ontstaat er ruimte voor creativiteit. Dansende, kleurrijke bolletjes energie boven mijn hoofd krijgen een lichaam in het materiaal. Op dagen als deze kan er zomaar een schilderij of meubelstuk uit mijn handen rollen, of een verhaal. Ik zet een plaatje van Vivaldi op en begin te schrijven…