Van het Ego en het Zelf

  Wie bent u, mijn rusteloosheid? Angst en verlangen kijken mij ongeduldig aan Doen mij verzinken in de duizend dingen Mijn wezen wacht op herkenning, geduldig Weet van mijn liefde, erkent de weg van de vormen Expandeert zo het moment zich aandient De wouden vertellen ons wie wij nu zijn Volwassen kinderen, onbevangen en vrij Op een toneel van verbinding Ondergronds fluisteren wortelen kennis aan elkaar door Ontkiemende zaden, schokkende scheuten reikend naar licht Bloemen springen open De nevel ontwaakt de eeuwige golf van leven De vijver biedt de lelies een zacht vliesje om op te rusten En een voedende bodem om in te nestelen Wandelend door de tuin van mijn Heer kijk ik en zie ik Wegen splitsten en samengaan ~ De kijker ziet eindeloze chaos en geniet van zijn kennis Van de weideroos, het duizendblad, de bosmuis en de bonte specht Trots op de rijkdom van flora en fauna Verdeelt hij hen tot het ene en het andere Het nieuwgeborene en stervende Het schone en het verdorvene Ontsteld zien zijn ogen links en rechts de menselijke bemoeienis Van werktuigen en wegwijzers Zijn hart wil groeperen Wil opkomen tegen de zijnen aan het andere eind van de lijn Hij onderscheidt hen als barbaren Strijdend tegen de hoeders van het Licht Vragen beheersen zijn gedachten Hoe grieft mijn ras uw aangezicht, o Groot Mysterie? Welks pracht hangt aan een zijden koord? Zijn wij kanonnen in Uw concertzaal? Ongepast, ongewenst, afgescheiden? Is dit het mijne, dat zich in het Uwe parasiteert? Mijn God, heb ik u verlaten? Hij droomt van een plekje in de schoot van de Moeder Beeldt zich in waar hij zijn hut zou plaatsen En hoe hij Haar beschermen zou Zijn handen tintelen om de wildgroei naar zijn orde te transformeren Weifelend verlaat hij Haar stammen en paden Melancholisch kijkt hij om met betraande konen Beschroomd, onmachtig Keert de kijker terug in zijn kleine huls ~ De ziener ziet eindeloze orde in glorieuze perfectie en ervaart vrede Zijn hart pulseert golven van creatie om de schoonheid te vergroten Kent zijn onschatbare waarde in het geheel Ademloos aanschouwt hij het spel Hij weet dat de vogel haar nest niet bouwt om er oud te worden Haar dag niet vult met klokkengeschal aan de dorpskerk Hij hoort haar schelle vrijheidslied dat klinkt als een piccolo uit de kroon van een den Herkent de gevleugelde ziel die verwonderd vertrouwt op haar volgende ontmoeting Haar aardse ervaring is een tijdloos moment, ongeboeid door verleden en toekomst De bloem sluit niet voor de vlinder om haar honing te bewaken De vlinder houdt zich niet verscholen voor de geveerde om haar dood uit te stellen Zij is in vrede met het heden en is een met de dageraad van haar verschijning De ziener wandelt vrij van oordeel langs werktuigen en wegbewijzering Want hij ziet dat alles leeft Dat Alles leeft Hij ervaart geen verschil tussen hem, de vogel, de steen en de vijver Noch zal hij zich inspannen om het woud te begrijpen De complexe grootsheid is in hem, hij is het zelf Aangeraakt stapt de ziener door spiegelingen van zijn waarheid Hij weet dat hij nooit kan verdwalen Zijn weg is waar hij gaat Kwetsen kan hij niet, gekwetst worden evenmin Hij is als God, de grote verbindende Volmaakte liefde ~ Gezamenlijk wandel ik weg, een met alles dat ik ben Keer ik terug van buiten naar binnen Naar mijn woning Overal, ergens en nergens   (Michiel Lap, 2014)  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *