Bij de nonnen

Ga je mee naar de nonnen? hoor ik mijn moeder door de telefoon vragen.
Dat hoor je niet vaak, denk ik.

Mijn tante heeft jarenlang de nonnen in het nonnenklooster in Oosterhout verzorgd. In haar laatste jaar dat zij er werkte, in 1999, maakte ik een val met een mountainbike en brak mijn nek. Nou is mijn tante nogal een prater, met een gouden hart dat klopt op de juiste plek hoor, maar ze IS een prater, o yeah! Niet lang nadien wist vrijwel het gehele klooster van de hoed en de rand en is er vanaf toen iedere dag voor mij gebeden, jarenlang.

Dat is toch lief!
Nee, ik moet het anders zeggen: dat is toch onvoorwaardelijk en onvoorstelbaar LIEFDEVOL!

Dus wil ik d√≥lgraag naar deze nonnen, om mijn dankbaarheid te uiten en te zien wie die mensen eigenlijk zijn. Het leven in een klooster is ook iets dat mij erg intrigeert, dus reden te meer om bij mijn moeder en tante in de auto te springen. In de auto vertelt mijn tante over de eenzaamheid die zij ervaart na het overlijden van haar partner. Ik probeer mij voor te stellen hoe dat moet zijn, om na zo’n 50 jaar met iemand te hebben geleefd, haar niet meer om je heen te hebben. Wat een leegte moet dat geven. Mijn moeder en ik geven haar wat ruimte voor haar verdriet. Het ritje er naartoe duurt slechts enkele minuten, dus dat was wat grauwigheid in de gauwigheid zullen we maar luchtig zeggen.

We rijden de poorten binnen van het klooster en daar, net buiten de verkeersdrukte, overvalt mij de oase van rust. Er schuifelt een oudere non over de binnenplaats met een kannetje water in haar hand. Die gaat water bij de wijn doen, denk ik flauw. Als we het gebouw betreden, blijkt al snel de grauwigheid van zojuist, doorgetekend te zijn in de kleuren van de muren en vloeren. Vijftig tinten grijs, hoor ik mezelf denken en ik geef mijzelf tegelijkertijd een standje, want ik realiseer me de unieke situatie: Dit is mijn kans om iets te leren over het leven in een klooster, leven achter gesloten deuren, uit vrije wil, om Jezus en God te leren kennen.

Tijdens het wachten in een tevens grijs spreekkamertje, voel ik tintelingen over mijn schouders en bovenrug. Voel ik druk van het kerkelijk instituut? Is het de geruststellende hand van God of een engel? Of ben ik gewoon licht zenuwachtig? Ik wordt voorgesteld aan haar goede vriendin, Zuster Priscilla (zo heet ze niet echt, maar ik heb de naam veranderd om de onschuldigen te beschermen en ik ben haar naam tevens een beetje vergeten). Zuster Priscilla was in die tijd Moeder Overste en hoewel ze nu ruimschoots de 80 is gepasseerd, is zij opmerkelijk helder van geest. Zij vindt het geweldig om mij eens in levende lijve te ontmoeten en bekijkt mij nauwkeurig.

Het gesprek lijkt een richting aan te nemen die ik niet gehoopt had. Alle koetjes en kalfjes en familie van vrienden passeren de revue. Dit geeft me wel wat tijd om die vrouw te bekijken te voelen wat ik bij haar voel. Op een of andere manier heb ik met haar te doen, ik weet niet waarom. Het klooster voelt als een contract, waar je uit liefde in rolt en best lastig onderuit komt, maar waar je ook een diepzinnig en verbonden leven kunt ervaren. Ik heb een leven als dit al eens meegemaakt, zo voelt het.
“Waarom bent u het klooster in gegaan?”, vraag ik en daarna volgt een zeer openhartig gesprek, dat tot mijn grote verbazing totaal niet bol staat van dogma’s en strikte kerkelijke normen, maar waar ruimte is om elkaars overtuigingen te overwegen. Zij vertelt van haar barmhartige God, ik vertel haar van mijn universele Godsbeleving. Met een stralend gezicht hoor ik haar “ja, ja, ja!” zeggen en afsluitend geeft ze aan, mijn bewoordingen met zich mee te zullen dragen. Ik vindt haar wijs en lief en dank haar terug.

Ik bedank Zuster Priscilla ook uit de grond van mijn hart, voor de vele jaren dat ik hun gebed heb mogen ontvangen. “Het is net alsof ik je al heel lang ken”, zegt ze en ik realiseer me dat ik nog eens terug moet komen om haar te vertellen hoezeer ik denk dat dat ook zo is.

Bij het buitengaan geven we elkaar twee knuffels en ik voel haar zachte energie door haar zwarte kleed. Haar liefdevolle ogen kijken me vol vreugde aan als zij me zegt: “Je bent het mooiste geschenk dat ik vandaag heb mogen ontvangen”.

Dat is toch… KEI-LIEF!

Wauw, wat een prachtige, onverwachte maandagmorgen.